Joseph Paardekracht
Verhalen


home

FRIESLAND

 

Er zijn heel wat provincies op de vingers van één hand te tellen en als je ze allemaal telt, dan heb je aan één hand niet voldoende.

Hoeveel provincies er ook  zijn en hoe uiteenlopend ook hun verschijningsvorm is,als je kijkt naar het verschil in hoogte ten opzichte van het Nieuw Amsterdams Peil of als je let op het verschil in tongval en staande uitdrukkingen of als je kijkt naar de vorm van de pleinen en de huizen of de mate van corruptie bij de overheidsdienaren, Friesland staat voor mij aan de top.

Het heeft een diepe indruk op me gemaakt, dat toen ik een feestje van Friese zeilin­structeurs verstoorde met het zingen van enkele regels uit Groninger volkslied, enkele instruc­teurs mij in het Pikmeer gooiden.

Toen was er nog geen TROS, die Friesland toeristisch zou opvijzelen, toen waren er nog geen wilde plannen om de mooiste plekken met bungalows vol te plempen en toen voeren er nog geen stacaravans op het water, waarvan de kapiteins met stront in hun  ogen zo snel mogelijk kriskras over de kanalen en meren manoeuvreerden.

God vergeve Wiegel als hij na zijn dood jegens Hem rekenschap moet afleggen over zijn daden. Hoeveel welwillende VVD-ers heeft hij niet op een zijspoor gezet! Kan de lezer één VVD-er aanwijzen, die zo met een kettingzaag het wankele huis van het liberalisme heeft bewerkt?

De populistische taal, die hij uitkraamt, heeft niets met het liberalisme te maken, om nog maar iets voor de vuist weg te noemen, zijn gefixeerdheid op het beschermen van de voorrech­ten van de bovenmodalen al evenmin.

Wellicht zal de Here hem juist welwillend in de hemelse heer­scharen opnemen, want met zijn onbeschoftheid heeft ie juist veel schade aangebracht aan dat geloof, dat juist haaks op die van de christelijke ethiek staat.

Maar, zou je kunnen opmerken, waarom verbind je de VVD aan het liberalisme? Daar zit toch een denkfout!

Geef eerst maar eens aan dat de VVD iets met het liberalisme te maken heeft.

Kijk maar naar Bolkestein, die het liefst alle Islamieten wil bekeren tot de TROS, want die omroep draagt nu eenmaal het meest zuiver ons volksgevoel uit.

Beste lezer, nu gaat U wel erg snel in de tijd, we schrijven nu 1989 en toen had Bolkestein nog niet zo'n grote bek.

De reis naar Friesland is altijd al heel bijzonder geweest.

De éne keer is het wel de tocht via het Lauwersmeer over het plaatsje W. Na dagen peddelen komt het reisgezelschap in W. aan.

De kroeg bestaat uit stoelen om een hoge ouderwetse Amerikaan­se koelkast gedra­peerd. De klanten halen zelf hun flesje bier uit de koelkast en zetten een streep op het papier, dat tegen de deur van de koelkast geplakt is.


Daar maakten we een prachtige woordenwisseling in het Fries mee, want in de Friese Wouden is men trots op zijn gewicht aan felle woorden.

Onder de indruk van de felheid van de ruzie gaan we er stille­tjes vandoor en we slenteren met minder praatjes dan op de heenweg terug naar de boot.

Langs de kant, over het jaagpad loopt een spichtig meisje te zingen, achter haar stapt een kip, die het meisje aan een touw vasthoudt.

Dat meisje zou later de beroemde zangeres B. zijn, die prach­tige edelsteen, die schittert in de kist vol minder geslaagde exemplaren.

Het geld was in twee dagen op en toen zijn we maar weer terug­gekeerd naar Groning­en.

De andere keer, het was de eerste keer, dat ik de tocht over de kanalen naar Friesland waagde, was ik zenuwachtig en bang voor ongelukken, dat mijn vrouw er zo ziek van werd, dat ze me met een fles appelcider op de kop dreigde te slaan, als ik niet snel naar de wal voer, waar ze direct wilde uitstappen.

Ze stapte aan wal en met twee zware tassen liep ze naar de bushalte, die een paar kilometer verder aan een verlaten B-weg stond.

Ze had last van haar rug, maar ik vertikte het om te helpen sjouwen, dan moet je maar niet zoveel troep meenemen.

Het laatste stuk naar Grouw was prachtig, het Prinses Mar­grietkanaal werd breder, de rietkragen imposanter en het water kabbelde tegen de boeg tot de mast brak.

Een Fries sleepte me naar Grouw, alwaar ik enkele dagen moest wachten, tot de nieuwe mast op de boot gezet was.

Alle leesportefeuilles in de kroegen doorgenomen en in hotel Oostergoo zo nu en dan een kop soep.

Het was begin juni, de kroegen puilden nog niet uit van de vrolijke vakantiegangers.

Met de baas van de Bierhalle raakte ik in diepgaande gesprek­ken verwikkeld over  het vrije ondernemersschap, tot hij- naar hij zei- durfde te vragen, wat ik eigenlijk voor de kost deed.

Ik deed toen niets voor de kost en dat vertelde ik hem ook.

Dat had ik nou nooit gedacht, riep hij uit en hij keek me met afschuw aan. Hij is nooit meer aan mijn tafel gaan zitten.

Zijn dochter bleef wel vriendelijk, ze hield niet op met haar gouden hoofdkapje door de zaak te dansen, terwijl haar oorbel­len tegen haar blozende wangen tinkelden.

De boot was weer klaar en mijn vrouw kwam weer opdagen en we voeren helemaal naar Staveren, waar we op de dijk stonden en keken naar het IJselmeer en naar de grote boten in de haven.

En die keren, dat de Olympiajol het IJselmeer trotseerde en zij het geknechte West-Friesland de rug toekeerde.

Tijdens de laatste tocht begon het steeds harder te waaien. Vóór de wind naar Staveren ging niet meer, dan kwam het water over de boeg de kuip binnen en met halve wind naar Lemmer was ook een hopeloze zaak, want dan rolden de steile golven over de zijkant van de boot naar binnen.

Ruime wind, dat was de enige mogelijkheid.


Voor me lag de Rode Klif, waar de Friezen vochten tegen de Hollanders en ik had op een oude waterkaart gelezen, dat aan stuurboordzijde van de Rode Klif een kleine haven lag en als je niet wou vastlopen, dan moest je de koers tussen de haven en een kerktoren nemen.

Ik zag een kerktoren en het lukte. Het zwaard een beetje omhooggetrokken, zodat de boot minder diepgang had.

Het was een hete wind en er verscheen een gele rand om de zon.

Enkele Friezen zaten op een bankje onder een afdak en ze voorspelden windstoten en zware slagregens.

In afwachting van het noodweer, het was al avond, doodden we de tijd met gesprek­ken over het toerisme.

Wat willen de toeristen, roept een oude socialist, die toeris­ten willen een uithangbord aan de weg, waarop staat dat de koffie klaar is.

Die mensen hebben kinderen, die ze graag de hele middag van een glijbaan zien glijden.

Maar ik heb geen glijbaan en ik zet altijd verse koffie, dus de koffie staat niet klaar, zegt de baas van het kof­fiehuis en de wandelaars slaan hun proviand op in Staveren en ze hebben een strak wandelschema, dus moeten ze dezelfde dag nog de bossen in Gaasterland halen.

Ze lopen voorbij mijn uitspanning.

Ik vertik het om er een pretpark van te maken, dan hou ik er liever mee op.

Die afschuwelijke wandelboekjes ook, zeg ik, sorry, heren, ik kom van oorsprong uit Groningen, dus ik kan het weten.

Je komt toch van de andere kant van het IJselmeer?

Jawel, maar ik ben geen Hollander.

Je bent geen Hollander? Je praat wel zo.

Zeker weten, dat ik uit het Oosten kom.

De haan kraaide drie keer en de kip van de zangeres B. begon het voer dat zij nog liefdevol in de strot van de kip gepropt had uit te kotsen.

In de haven lagen een paar boten op een rij, aan de kade lag een vissersschuit, het koffiehuis lag op een heuvel, een paar huizen verscholen achter door de wind kromge­trokken rijs­hout,   met verderop de bossen van Gaasterland.

Het werd donker, ik kroop onder de dektent.


De wind draaide.

De golven liepen, ongehinderd door de strek­dam, de haven in, De boot schommelde en klapte tegen een kleine motorboot aan, de wind nam toe en het gebons werd erger.

De regen kletterde tegen de dektent, ik moest wel naar buiten om de boot beter vast te leggen.


Het anker was losgetrokken, ik merkte dat de andere boten aan een ketting, die dwars over de bodem van de haven lag, vastza­ten.

Ik sprong in het water en voelde op de bodem naar de ketting.

Met moeite kreeg ik een stuk touw om de ketting heen en ver­bond de ketting  met het touw aan de boot.

Kom, ik heb het hele jaar nog niet gezwommen, we gaan een eind zwemmen.

De golven zijn zwart, de wolken gelig zwart en zo nu en dan schiet de maan tussen de wolken door, de zuidelijke polders worden bestookt door bliksemschichten.

Caravans vallen om, auto's raken in de sloot, de kip van de Friese zangeres zit veilig in haar hok en Wiegel neemt in zijn door bliksemafleiders beveiligde Friese stulp nog even het toeristische beleidsplan van de provincie door en in het Westen schommelt een tjalk vervaarlijk op de golven met slec­hts een klein steunzeil.

In Nij Beets siddert het portret van Domela Nieuwenhuis licht, als de deur opengaat en een verlate gast nog om een borrel komt.

De aarde mort, het IJselmeer is behekst, de Westfriezen - die nog in een taxi kunnen kruipen - laten zich van de ene kermis naar de andere lapjesdag vervoeren, in de hoop op verzachting van de pijn, die aanpassing heet, door het medicijn van de drank.

De Hollanders nemen nog eens hun adressenboekje door, ze wegen hun gewicht op grond van het aanzien van hun kennissen en ze luisteren nog eens naar een CD van een cabaretier, opdat ze de gebektheid van de vakman tot hun gebektheid maken, maar de Friezen....

De een loopt even naar het balkon van zijn flat, de ander doet nog de ronde in de koeieschuur, weer een ander fietst in de storm de tocht langs de elf steden en allen roepen ze in de wind, dat de wind uit het zuidwesten komt en de wind neemt hun woorden mee en op een paar waddeneilanden in het oosten roepen de mensen in dezelfde taal, dat de wind uit het zuidwesten komt en als de wind ineens zou draaien en de woorden zouden tot Schotland komen, dan zouden ook de Schotten deze woorden verstaan.

Het is maar gissen en de Frisologen willen ons meer over de volksaard doen geloven, dan goed voor de waarheid is.

De bepaling van een volksaard is op zichzelf een idiote onder­neming, maar mijn indruk is, dat de Friezen van alle bevol­kingsgroepen in Nederland nog het meest in staat zijn iets van hun identiteit te behouden ondanks de lawine van aanmaningen en fooien van de rijksoverheid met het doel de gelijkschake­ling te bewerkstelligen.

Maar dat is toch een open deur, roept de kritische lezer, dat kun je immers met gemak beweren van een volk, dat het het langst volgehouden heeft tegen de indringers en dat  het meest afwijkende dialect spreekt, een eigen taal dus.

Inderdaad, kan ik alleen maar antwoorden, beduusd van de juistheid van die opmer­king en van de zelfvoldaanheid,waarmee ik een volk probeer te doorgronden.

Ik moet nu terugzwemmen, gelukkig met de wind mee, want ik voel kramp in mijn benen.

Ik heb zovaak een bril laten liggen in een Fries café, of een portemonnee op de kade, of een boek in een restaurant, maar het voorwerp lag er altijd nog als ik terugkwam.


Dat is geen specifieke eigenschap van de Friezen, want in de eerste plaats zat er wel erg weinig geld in mijn beurs en in de tweede plaats heb ik in Italië dezelfde ervaring, zelfs in het door de pers verfoeide Venetië, want Venetië zou verpest zijn.

Mensen, dat is nou even totale nonsens, ga eens een keer naar Venetië en je zult merken, dat de kleuren van het beroemde plein je de adem benemen en je zult merken, dat even buiten dat plein je net zo goedkoop een patat kunt kopen als cafeta­ria de Errebarre in Metslawier.

En als je naar Italië gaat, volg dan eens het spoor van Van Egeraath naar de Dolomie­ten en bezoek het bergdorpje, hoog boven de Italiaanse meren, waar heel vroeger een kolonie van Schotse soldaten is neergestreken en die Schotse soldaten verwekten kinderen bij Italiaanse vrouwen en nog steeds ge­bruiken ze bijzondere woorden, die lijken op de taal van het thuisfront en misschien- als je goed luistert- zit er ook een beetje Fries in.

Ik vergeet nog te vermelden dat mijn dochter en haar vriendin in Heeg naar de Disco gingen, we waren net over de Fluessen en het Heegermeer  gegaan en onze kleren waren kletsnat.

De meiden doften zich op in de wasruimte en de natte kleren hingen ze over de tent.

Ze zagen er schitterend uit, alsof ze direct uit een stacara­van of vakantiehuisje gestapt waren.

Ik had nog een droge korte broek en een droog hemd.

De laarzen aan en de regenjas aan, zo ging ik het dorp in, want ik had wel zin in een koffie met een jonge jenever.

Voor me liepen mannen, die tegen de bij de disco geposteerde politie in het Fries riepen (ik vertaal het maar, want precies weet ik het ook niet):

"En voer die man achter ons ook maar af naar het gesticht."

Ik moest wel lachen en riep:

Ik ken joe wel verstoan. Wat most? Wost een pak op Pinze hebn?

(ik versta je heus wel, wat wil je, moet je een dreun op je kop krijgen?)

De mannen schudden hun hoofd van wat krijgen we  nu weer en later in de buitenha­ven van Staveren, de kinderen op de ferry van Staveren naar Enkhuizen gezet, klopt de havenmeester mij op mijn schouder en hij waarschuwt me voor het wisselvallige weer.

Nu kun je nog oversteken, maar wacht niet te lang, want van­avond komt de wind opzetten.

Ik heb heimwee naar het thuisfront en tuig zo snel mogelijk de Olympiajol op.

Ook al zit er een lichte deviatie in het kompas, na drie uur zeilen in de dichte mist ontwaar ik de vuurtoren aan de andere kant van het IJsselmeer en daar moest ik precies terechtkomen, nou ja, precies, daar zit wel wat rek in.

 

Jos Kerkhof

 

copyright: erven J.P. Kerkhof